Bouw van de Openbare Lagere School

In de tachtiger jaren van de 19e eeuw trilt Surhuizum opnieuw op haar grondvesten. Het was in Surhuizum, net als in andere Friese dorpen zo, dat de school en het schoolhuis eigendom waren van de Hervormde kerk en door de kerkvoogden (tegenwoordig kerkrentmeesters) verhuurd werd aan de gemeente om gebruikt te worden voor het gemeentelijk, openbaar onderwijs. Zo was het al jaren geweest en niemand viel hier over. Maar nu, zo rond 1880, zat er in enkele delen van Friesland verandering in de lucht. Zo ook in Surhuizum. Dit kwam door de opkomst van het confessioneel (=bijzonder) onderwijs.

Het nieuwe college van kerkvoogden en notabelen besluit in maart 1881 om de huur van de school en het schoolhuis met ingang van 1 januari 1883 op te zeggen en de school af te staan aan de “Hulpvereeniging voor Christelijk Onderwijs op Gereformeerde grondslag”. Hiervoor sluit de nieuwe vereniging een contract met de kerkvoogden, dat op 1 januari 1883 ingaat.

Zoals iedereen wel kan begrijpen, heeft het opzeggen van de school voor het gemeentebestuur verregaande consequenties. In Buitenpost moet men voor een nieuw onderdak voor het openbaar onderwijs zorgen. Op 22 september 1881 schrijven de kerkvoogden “geen voornemen voor opnieuw verhuren te hebben”. De oude banden zijn nu voorgoed verbroken. En in Surhuizum brengt deze ontwikkeling heel wat ergernis met zich mee. De verhouding in het dorp wordt er niet aangenamer op, zoals men wel zal begrijpen. Er komen veel boze gezichten, want lang niet alle kerkmensen zijn het met deze verandering eens.

Ondertussen zit de gemeente niet stil. Er zal natuurlijk gebouwd moeten worden en dat vergt enige tijd. Nu is er land genoeg in Surhuizum. Daar hoeft de bouw niet om over te gaan. Zodoende staat in de raadsvergadering van 13 mei 1882 bij punt 9 op de agenda: “Voorstel tot de bouw van een openbare school in Surhuizum”. De begroting is f. 6000, maar als de steen niet door het Knillesdjip aangevoerd kan worden, kost het f. 300 extra. Ate Siegers Zijlstra heeft in Surhuizum heel geschikt land liggen om er een school op te bouwen. Er is “grond voor een schoolerf, voor een tuin voor den onderwijzer, enz.”. De prijs is f. 1000 het pondemaat. En er is nodig “nagenoeg ½ pondemaat, n.l. 10 are voor de school en 8 are voor de onderwijzerswoning. Zijlstra blijft eigenaar van de reed langs het terrein, doch zal aan de gemeente het regt van vrije reed voor de school en onderwijzerswoning verleenen”. De schoolkinderen mogen niet over de reed van Zijlstra naar de school toe gaan, maar over de grond bij de onderwijzerswoning, die bij het terrein van de school hoort. En dan moet meester zijn tuin door de gemeente goed afgerasterd geworden van Zijlstra zijn land.
De gemeente koopt de grond, 23 aren en 60 ca voor f. 644,35.

Rechts het schoolhuis met daarachter de Openbare Lagere School in 1942.

En hoe kan het zo mooi treffen! Naast dit stuk land heeft Ate Zijlstra een nieuw huis staan, twee jaar geleden gebouwd. Dat zou perfect zijn voor een onderwijzerswoning. Om hem kan de gemeente dit huis wel kopen. Het zal 3500 gulden moeten opbrengen.

Bij het gesprek in de raadsvergadering “geven onderscheiden leden te kennen, dat de door Zijlstra gevraagde koopsom vrij hoog is en hij bij publieke verkoop vrij zeker aanmerkelijk lager cijfer voor het huis zou bedingen, doch dat overigens het terrein als zeer geschikt voor het doel is te beschouwen en de koopsom van f. 1000,– voor de pondemaat grond billijk is. Het huis is zeer soliede gebouwd en voor onderwijzerswoning meer dan voldoende te achten”.
Het voorstel wordt met algemene stemmen aangenomen. Boer Ate, zeker een slimme koopman, krijgt op alle punten zijn zin.
De prijs van de schoolbanken, geschat op 7 gulden per stuk, is te laag, zo meent de schoolopziener. Zulke banken kosten tegenwoordig wel 8 á 9 gulden.
Dat wordt zo met elkaar nog al wat en diverse raadsleden vinden, “dat de kosten van de schoolbouw zeer hoog zijn en zij betreuren het, dat daarbij zooveel moet worden uitgegeven voor zaken, die op een plattelandsschool niet noodzakelijk zijn en dat de kosten van het onderwijs dientengevolge voor de gemeente zeer drukkend zullen worden”.
De voorzitter bestrijd deze benepen redenatie met de opmerking: “Men is gehouden de bestaande bepalingen voor den schoolbouw te volgen, daar men anders niet de goedkeuring van den schoolopziener kan bekomen, en natuurlijk ook de aanspraak op vergoeding van het rijk (30% subsidie) vereist”.
De verdediging helpt. De hele raad gaat door de knieën, behalve Jan Annes Kloosterman. Die houdt zijn poot stijf.

Op 10 juni 1882 is de aanbesteding. De aannemer Frederik Sjoukes Schiere uit Rottevalle is met 5880 gulden precies onder de begroting en aan hem wordt dan ook het werk gegund. Hij kan direct met het werk beginnen. Schiere stelt voor de periode van een kwartaal een dagelijkse opzichter aan voor een weekloon van 8 gulden. De hele bouw komt samen met het huis en de grond op f. 10.526,59½. Een beste rib uit het gemeentelijke lijf. Om de school en het huis te kunnen betalen, leent de gemeente f. 8500,– tegen een rente van 4½ procent.

De Openbare Lagere School in 1942.

Op 23 december vraagt aannemer Schiere, bij het betalen van de twee laatste termijnen, om een vergoeding van f. 150,– voor de schade die hij heeft geleden door het weer.
De vroege winter heeft een deel van het voegwerk en het buiten schilderwerk beschadigd. Voor deze overmacht van de natuur moet de gemeente wel wijken.
Helaas moeten de schoolkinderen in 1883 die strop betalen. Er is op 28 maart in de raad “geen subsidie voor een kinderfeest ter gelegenheid van de inwijding van de nieuwe school te Surhuizum”.

En zo gaat Surhuizum in 1883 de geschiedenis is als een dorp waar een school bij een huis is gebouwd.

Kornelis van Dekken

Dit venster is gebaseerd op afleveringen uit de serie Ald Surhuzum van Meint Bottema. De foto’s zijn afkomstig uit de collectie van Anne van Lune en de Stichting Oud-Achtkarspelen.

Dit venster maakt deel uit van het project Friese Dorpscanons.