De molenafbraak te Surhuizum in 1714

Ook in onze tijd zijn de belastingen niet geliefd, maar geen belasting is ooit zo impopulair geweest als het z.g. gemaal; dit was het recht dat betaald moest worden bij het malen van granen. Reeds in 1580 lezen we iets omtrent de heffing van zulk een recht, wanneer de Friese stadhouder “om den tegenwoordigen crych te beter te becostigen ende te mogen onderholden” ordonneert zo spoedig mogelijk “die generaele middelen ofte imposten” in werking te brengen en daarbij Gedeputeerden opdracht geeft alle molenaars stuk voor stuk onder ede te doen verklaren, dat zij geen “molt oft weyt voortsaen sullen maelen oft doen maelen” alvorens zij niet het bewijst van de Ontvanger kunnen overleggen, dat zij “de impositien daer toe” betaald hebben.
Zolang deze belasting geheven werd – en zij werd in Friesland eerst opgeheven op 1 Januari 1856 – hoort men van oppositie van de zijde der molenaars, van pogingen tot ontduiking, van listen en lagen, van het bedreigen van de ambtenaren die moesten toezien dat de belasting niet ontdoken werd, van officiële strafmaatregelen en van spontaan volksverzet. Dat de overheid er niettegenstaande dit alles toch niet aan dacht het gemaal buiten werking te stellen, vindt kennelijk zijn oorzaak in de rijke baten welke deze belasting opdracht. Om één voorbeeld te noemen: in 1855 (het jaar vóór de opheffing) incasseerde de provincie ingevolge het gemaal niet minder dan ruim 198.689 gulden, voorwaar een aanzienlijk sommetje!
Om niet te uitvoerig te worden, stippen wij hier nog aan, dat de Staten in 1638 zich er ernstig over beklaagden, dat, terwijl zij naarstig naar middelen zochten “om een swaren oorloge soo te water als te lande” te kunnen bekostigen, velen zich niet ontzagen de belastingen te ontduiken. Met name gold dit voor het gemaal, ten aanzien waarvan “seer grote en menichvuldigen en grouwe frauden, dieverien begaan worden door quaet en ook weynich aangeven der granen”.

Maar de hoogmogende heren hadden een wapen bij de hand. Zij bepaalden, dat iedere molen die het voorafgaande half jaar minder dan 300 gulden aan belasting had opgebracht, een jaar werkloos zou moeten stilstaan. Tevens werd een commissie in uitzicht gesteld, die moest uitmaken in hoeverre bepaalde molens nog levensvatbaarheid bezaten. Vielen haar bevindingen negatief uit, dan zouden zulke molens “tot redelijke costen van ’t landt” worden afgebroken.
In Groningen waren reeds in 1628 overeenkomstige maatregelen getroffen en ook deze kwamen evenals de Friese neer op “een rigoureuze sanering van deze bedrijfstak”. De commissie kon reeds op 22 Maart 1639 een lijst van molens overleggen “die afgebroken moeten worden en niet weder opgemaeckt sullen worden”. Op deze lijst nu, die voor de Friese molenhistorie van groot belang is, komt ook reeds voor de molen te Surhuizum!
Dat intussen de ambtelijke molens ook toen zeer langzaam maalden, blijkt wel uit het feit, dat de Surhuizumer molen het nadien nog vijfenzeventig jaar heeft uitgehouden. Zoals wel vaker met commissies geschiedt, hoort men na 1639 niets meer van dit door de heren Andrée, Nijs, Nauta en Aysma gevormde college. Wel wordt er zo nu en dan veranderingen gebracht in het minimum waaraan de molens moeten voldoen. In het begin der 18de eeuw werden de puntjes echter op de i gezet. Ged. Staten besloten n.l. op 26 Maart 1712 die molens te doen afbreken, die “geen 400 gulden in de twee laatste half jaaren hebben gerendeerd” en benoemen weer eens een commissie om de molens die afgebroken zouden moeten worden, te taxeren. Deze taxatie kwam tot stand onder mederwerking van de “bequame ongeinteresseerde” molenbouwers Auke Bouwes Disma, van Sneek, en Sybren Senties, van Rien. 12 Februari 1714 dienden zij hun rapport in. De molen te Surhuizum werd op 931 gulden en 10 stuivers gewaardeerd… Het doodvonnis was uitgesproken.

De molen van Surhuizum op de kaart van Schotanus.

Intussen was het eerste bedrijf van het Surhuizumer molendrama reeds gespeeld. Blijkbaar hadden Gedeputeerde Staten begin 1714 het gerecht van Achtkarspelen opgedragen alvast de spil uit de molen te nemen, omdat deze toch onder het belastingminimum bleef. Gedeputeerde Staten behandelden namelijk op 22 Januari van dat jaar een missive van genoemd gerecht, gedateerd de 19de, “seggende niet in staet te sullen konnen sijn, omme de spillen van de meulens in Surhuijsum en op ’t Wijsel (die moest er dus ook aan geloven) weg te nemen”, omdat de ingezetenen “van haer gerijff wordende ontbloot… soo het algemene seggen gingh” zich tegen de uitvoering van de plannen zouden verzetten. Inderdaad was het afbreken van de dorpsmolen voor de dorpsgenoten een last, omdat zij dan met hun granen vaak een verre reis naar een molen in de omtrek moesten maken.
Gedeputeerde Staten waren niet van plan voor de houding der bevolking te capituleren en gaven kort en goed kapitein Rocqueval alsmede kapitein-luitenant Haersma bevel de volgende morgen “mee het opgaen van de poort tusschen ses en seven uiren” met zes officieren, acht sergeanten, acht korporaals en honderd zestig man te voet, benevens een luitenant met vijf en twintig paarden naar Twijzel te trekken om daar de timmerman mr. Pijtter Jansen te assisteren “in het uitnemen van de spil uit de meulen”. Desnoods moest geweld met geweld worden beantwoord. Des avonds moest de troep naar Surhuizum marcheren om daar hetzelfde stukje uit te halen. Blijkbaar was men van de “woudlieden” wel wat gewend, want de bevelhebber moest zorgen des nacht zijn soldaten in twee, drie of vier schuren bij elkaar te houden “en daerdoor alle occasie (gelegenheid) tot desordre (ongeregeldheden) te beletten”. In het bijzonder moest hij alle maatregelen nemen “tot het voorkomen van brand”.
De 25ste bracht de kapitein verslag uit. Gebleken was, dat des Dinsdags tevoren onbekenden de klok te Surhuizum hadden “geklipt” en verhinderd hadden, dat de spil was weggenomen. Toen de soldaten echter verschenen, kon Pieter Jansen “sonder enige assistentie van militie” zijn opdracht verrichten.
De molen was dus uitgeschakeld, maar hij moest ook nog worden afgebroken. De grietman kreeg hiertoe op 27 September 1714 order, maar moest Gedeputeerde Staten alweer berichten, dat hij zich niet van die opdracht kon kwijten. Toen de timmerlui met de executeur en de gerechtdienaren hun plicht wilden doen, – zo schreef hij in een missive die op 7 October werd behandeld – waren zij daarin namelijk “belet geworden, soo door de molenaar selve, als het gemene grauw, dat bij de menigte op de been was gekomen omme sulz te weeren”, deshalve het gezag maar was afgetrokken.
Dan moet de sterke arm maar gepantserd worden: “Een commando cavalerie en infanterie van 100 man geordonneert om de timmerlieden te Surhuizum te assisteren bij het afbreken van de molen aldaar”, aldus het besluit van Gedeputeerden. Dit was voor de Surhuizumers uiteraard geen “partûr” en zo raakte het dorp zijn molen kwijt.

Dit venster is overgenomen uit een artikel uit de Leeuwarden Courant. De kaart met daarop aangegeven de Molenhorne is afkomstig van de Fryske Akademy.

Dit venster maakt deel uit van het project Friese Dorpscanons.