SURHÚSTER FERLINE

Olivier van Keulen

In Surhuizum herinneren onder meer veel straatnamen ons aan de rijke historie van het dorp. Meestal heb je dat zo niet in de gaten, maar achter elke naam schuilt een hele geschiedenis, dat is ons ‘Surhúster feline’. Aan de hand van deze namen vertellen we in deze serie het verhaal van Surhuizum.

Zo wil de gemeente in 1968 de pas aangelegde straat, evenwijdig lopende aan Lustenburg, Olifernisloane noemen, naar de kruistochtprediker Olivier van Keulen (ca. 1170-1227). Het bestuur van Plaatselijk Belang is het hier niet mee eens, en wil graag dat de straat wordt vernoemd naar Hendrik van der Veen, de H.J. van der Veenstrjitte. Twee jaar later, in 1970, gaat Plaatselijk Belang wel akkoord met de naam Olivierstrjitte, die de gemeente heeft gekozen voor de straat die haaks op de H.J. van der Veenstrjitte is aangelegd.

Olivier van Keulen was een van de predikers die door paus Innocentius III door heel Europa en het Oosten werd uitgezonden om de kruistocht te prediken. Olivier trok het land door om de mensen aan te sporen op kruistocht te gaan en Jeruzalem te bevrijden van de islamitische overheersing. Hij begon zijn missie in 1214 in Groningen en trok van daaruit naar Bedum in de Ommelanden om vervolgens naar Westerlauwers Friesland te reizen, naar Surhuizum en Dokkum.
Eind mei, of begin juni 1214, dit jaar precies 800 jaar geleden, arriveerde hij in Surhuizum. Een dorp dat toen al was uitgegroeid tot een volkrijke parochie, en is Achtkarspelen een streek met een betrekkelijk dichte bevolking.

In deze tijd, de late middeleeuwen, liep de toenmalige Lauwerszee met een uitloper tot aan Buitenpost, Augustinusga, Surhuizum en Opende. Dit betekend dat de dertig meter hoge toren, gebouwd is om te fungeren als een baken voor hen die op zee waren. Maar er werd niet alleen uitgekeken over zee, ook het zeer uitgestrekte achterland van Surhuizum kon zo in de gaten worden gehouden. Surhuizum is dan ook vrijwel zeker een handelscentrum van formaat geweest. Het dorpsgebied van Surhuizum liep tot ver in het zuiden door, tot bij het natuurlijke stroompje de Lits (bij het tegenwoordige Rottevalle).

Over de bouw van de toren, tussen 1190 en 1200, schreef meester Meint Bottema in ‘Ald Surhuzum’ het volgende: “De toer is boud ûnder it deistich tafersjoch en mei de kundige stipe fan de Cisterciënzer kleasteroarder, de Skiere Mûntsen. Wy kinne sadwaande sûnder mis oannimme, dat de tûke faklju fan dit ferneamde kleaster in warber oanpart yn de bou hân hawwe. Alle wurk barde mei de bleate hannen en mei ienfâldich ark: it bakken fan de âlde friezen yn de fjildûns. It bekapjen fan de beammen ta brûkbere balken. It skulpen fan de balken ta wer behindiger geriif. Stadich, hiel stadich krige it wurk de foarm fan de tekening en it bestek. Stien nei stien en balke nei balke. Al mar heger en al mar mear steigerhout. Wat in oerlis! Wat in hollebrekken! Sa gong de fleurige maitiid foarby. En de mylde simmer romme plak foar de wylde hjerstbuien. It waard winter en yn Surhuzum kaam it wurk finaal stil te lizzen. Mar it oare jier, doe’t de natuer him wer skruten ûntjoech, sloech de troffel wer op de stien en raasde de skulpseage wer troch it hurde hout. En sa eine de bou fan de toer fan dei op dei, fan wike op wike en fan moanne op moanne. Al mar heger! Al mar heger!
It wurkfolk hie nocht oan dit mânske karwei! Dit waard wat aparts. Dit waard wat útsûnderliks! De acht swiere, ynspringende bearen – keunstwurken op harsels – makken de rizige foarm noch dreger en noch steger. En de kante achthoekige spits soarge dêr yn de hichte, justjes boppe de fjouwer egale topgevels foar de nedige boartlikens. De toer kaam ré”.

Schets uit 1912 door architect Herman van der Kloot Meijburg.

Wanneer kruistochtprediker Olivier van Keulen in 1214 in Surhuizum arriveert, klinkt al weer het geluid van hamer, zaag en troffel “yn ’e buorren”. Na de bouw van de kerktoren zijn de timmerlui nu druk bezig met de bouw van een stenen kerk op de plaats waar eerder een houten voorganger heeft gestaan. De nieuwe kerk ligt, net als de toren, op een verhoging in het landschap zodat men in de toekomst geen last meer heeft van overstromingen van de Lauwers. Veronderstelt wordt dat Olivier naar Surhuizum kwam om het altaar van de nieuwe kerk te wijden, in het koor dat toen al klaar was.

Op het kerkhof riep Olivier de mannen op voor de kruistocht. Tijdens zijn prediking zag men naast de kerktoren een blauw kruis aan de hemel verschijnen. Zijn prediking bleef niet zonder vrucht. Drie jaar later, op 31 mei 1217, vertrok er een kruisvaardersvloot vanaf de Lauwerszee naar het Heilige Land.
Zo’n tachtig koggen met Friezen uit de omgeving van Bedum, Surhuizum en Dokkum vertrokken voor een overzeese kruistocht naar Damiate. Met een maximale bezetting van honderd man per schip, brachten de Friezen een kruisleger van 8000 man op de been. De kruisvaardersschepen waren bemand met voetvolk, bestaande uit boogschutters, speerdragers, zwaardvechters en ballistarii (= blijde-artilleristen).

De Friezen trokken met Haarlemse strijders op naar Damiate om de stad te veroveren. Inname van de stad betekende namelijk controle over de Nijldelta en van daar uit verwachtte men Egypte te kunnen veroveren. Aan de voet van de Nijl was een hoge kettingtoren gebouwd ter bescherming van de toegang tot de stad Damiate. Men achtte die toren vrijwel onneembaar, maar door een staaltje van krijgsmanskunst te tonen lukte het de kruisvaarders in hun uiteindelijk toch om de toren in te nemen. Men had vier schepen aaneen gebonden en in de top van de scheepsmasten een groot platform gebouwd van waar af de strijders de verdediging van de toren konden breken. Zo wisten de kruisvaarders de strijd om Damiate in hun voordeel te beslissen.

Friezen vallen de toren van Damiate aan.

In diens Historia Damiatino (1217-1222), vervaardigd in het kruisvaarderskamp in Egypte, blikte Olivier van Keulen dankbaar terug op alle Friese kruisverschijningen in 1214, die zijn kruistochtcampagne vaart had gegeven. Over Surhuizum schrijft hij in de Historia: “Dit kruis zagen meer mensen dan het vorige”.
In de brief die Olivier niet lang na de Friese verschijningen aan de graaf en gravin van Namen schreef, schrijft Olivier uitgebreider over de kruisverschijning te Surhuizum. “Dit kruis werd gezien door de abt van Heisterbach en zijn monnik, en door meer mensen uit het volk dan te Bedum”.

Naast de Olivierstrjitte, herinnert ook het blauwe kruis in het wapen van Surhuizum nog aan het kruisteken dat naast de toren verscheen tijdens de prediking van Olivier van Keulen in ons dorp.

Kornelis van Dekken

6 mei 2014